“Gen Z is lui.” Of toch niet?
De spiegel voor werkgevers
We hebben allemaal een mening over Gen Z. Veel mensen denken het volgende:
- “Ze verwachten zelf hun werktijden te kunnen bepalen”
- “Ze willen een fulltime salaris voor een parttime baan.”
- “Ze werken een stuk minder hard en overwerken komt niet voor in hun woordenboek.”
Tegelijkertijd krijgen bedrijven vacatures moeilijk ingevuld, haken jonge medewerkers sneller af en verwachten we nog steeds dat iedereen zich aanpast aan een manier van werken die jarenlang vanzelfsprekend was.
Misschien zit de uitdaging dus niet alleen in hoe de nieuwe generatie naar werk kijkt, maar moeten wij als werkgevers ook eerlijk kijken naar hoe flexibel we zelf eigenlijk zijn.
Werk is niet meer het middelpunt van alles
De jeugd van nu kijkt anders naar werk dan veel werkgevers gewend zijn. Fulltime werken is niet meer vanzelfsprekend. Een leven lang bij dezelfde werkgever blijven ook niet.
Vrijheid, flexibiliteit en zelf bepalen hoe werk in hun leven past, worden steeds belangrijker. En eerlijk? Dat schuurt. Want veel organisaties zijn nog ingericht op vaste tijden, aanwezigheid en controle. Terwijl jongeren juist meer regie willen over hoe en wanneer ze werken.
Gaat het niet generaties lang al zo?
Als we eerlijk zijn, heeft iedere generatie iets gevonden van de generatie die daarna kwam. Zo werden millennials jarenlang weggezet als “jobhoppers zonder loyaliteit”, terwijl dat gedrag inmiddels vrij normaal is geworden op de arbeidsmarkt. We zien nu in dat daar ook voordelen aan zitten, zoals het meenemen van meerdere ervaringen en het hebben van een frisse blik en energie binnen het bedrijf.
Misschien zijn jongeren dus niet minder gemotiveerd. Misschien kijken ze gewoon anders naar werk.
Lui of gewoon andere prioriteiten?
Het cliché dat jongeren lui zijn, roept men regelmatig. Maar als wij om ons heen kijken, zien wij juist veel jongeren die gedreven zijn. Ze volgen opleidingen, starten een eigen bedrijf, ontwikkelen zichzelf continu of combineren meerdere projecten naast elkaar.
Alleen zien zij niet automatisch in waarom veertig uur werken de norm moet zijn als het resultaat ook op een andere manier bereikt kan worden. Misschien zijn ze dus niet minder bereid om hard te werken, maar stellen ze simpelweg andere vragen dan wij vroeger deden.
Een andere manier van communiceren
Ook communicatie zorgt voor frustratie tussen generaties. Jongeren appen bijvoorbeeld als ze ziek zijn, in plaats van te bellen. Oudere collega’s ervaren dat soms als gemakzucht of gebrek aan respect.
Maar voor jongeren voelt dat juist normaal en efficiënt. Dat is niet direct beter of slechter, maar gewoon anders.
Hoe flexibel zijn we eigenlijk?
Veel organisaties noemen zichzelf flexibel. Totdat een medewerker vraagt om vier dagen te werken. Later te beginnen. Deels thuis te werken. Of tijdelijk minder uren te maken.
Dan blijkt vaak hoeveel ruimte er echt is.
Misschien moeten we onszelf daarom vaker afvragen of bepaalde regels echt noodzakelijk zijn, of dat we ze vooral blijven volgen omdat “we het altijd zo gedaan hebben”.
Wat moeten wij als werkgever doen?
Dat is misschien wel de belangrijkste vraag. Want niet meebewegen is óók een keuze. Alleen wel eentje met gevolgen.
Wie volledig blijft vasthouden aan oude structuren, gaat steeds meer moeite krijgen met het aantrekken én behouden van personeel. Tegelijkertijd werkt grenzeloze flexibiliteit ook niet. Een organisatie moet wel kunnen draaien. Teams moeten op elkaar kunnen rekenen en klanten verwachten continuïteit.
De uitdaging zit dus niet in kiezen tussen streng of flexibel. De uitdaging zit in balans.
Tot slot
De generatiekloof op de arbeidsmarkt gaat volgens ons niet over luiheid of gebrek aan ambitie. Het gaat over een andere kijk op werk. Werkgevers willen continuïteit, duidelijkheid en resultaat. Jongeren willen vrijheid, flexibiliteit en meer regie over hun werk en leven. Beide zijn logisch.
Maar misschien moeten we stoppen met alleen wijzen naar “de jeugd van tegenwoordig”.
Want zolang we blijven klagen over verandering, maar zelf niets willen veranderen, blijft die kloof bestaan. En dat gaan organisaties steeds meer merken. Vacatures blijven langer openstaan, jong talent haakt sneller af en goede medewerkers vertrekken naar werkgevers die wél meebewegen met deze tijd.
Misschien is de belangrijkste vraag wel: durven wij als werkgevers kritisch te kijken naar hoe werk is ingericht? En zijn we bereid daarin mee te bewegen met de wereld om ons heen?